Het licht dat de coronacrisis scheen op de pseudowetenschap van Forum voor Democratie

Wie vandaag naar de Twitter accounts gaat van de meest prominente Forum voor Democratie (FvD) (kandidaat-)kamerleden wordt geconfronteerd met een storm aan retweets van media als blckbx TV, een vrij nieuw platform dat pretendeert kritisch te zijn in de algemeenheid maar voor wat voor reden dan ook enkel lijkt te focussen op Covid-19. Ook gaan er in de storm tweets schuil van individuele twitter gebruikers die lijken te suggereren dat het coronavirus niet zo’n groot probleem is als dat het kabinet, en dus ook het Outbreak Management Team (OMT), ervan maakt.

Thierry linkt naar een artikel uit HP/De Tijd, waarin auteur Carla Peeters (tevens directeur van COBALA) meerdere malen liegt en feiten misrepresenteert (door te klikken op de link open je de tweet).
Draadje over hetzelfde artikel waarin de leugens en misrepresentatie van Carla Peeters aan het licht worden gebracht.

Pseudowetenschap is niets iets vreemds voor FvD. Eerder raakte Yernaz Ramautarsing, die op dat moment tweede op de lijst was voor FvD Amsterdam, al in opspraak nadat hij had gezegd dat IQ-verschillen tussen verschillende volkeren ‘wetenschappelijk bewezen zijn’ [1]. Thierry Baudet weigerde aftsand te doen van die uitspraak. De meest tegemoetkomende kijk op deze uitspraak is dat Yernaz destijds overtuigd is door IQ and the Wealth of Nations, een boek uitgebracht in 2002 door Richard Lynn en Tatu Vanhanen [2]. Het boek laat zien dat het verschil tussen het gemiddelde IQ van Finse mensen (97) substantieel verschilt van het gemiddelde IQ in Afrika, dat tussen 60 en 70 ligt. Dit gegeven is niet fout. Het klopt dat er een groot verschil was tussen het gemiddelde IQ van Finnen en het gemiddelde IQ van het gehele continent Afrika, maar waarom dit vergelijken in de eerste plaats, en al toespelen op de eigen hypothese? Er is namelijk een heel simpele verklaring: de IQ test is een test voor wat het westen beschouwd als zijnde algemene intelligentie en waar het westerse schoolsysteem dus ook op ingericht is. In het merendeel van Afrika wordt een dergelijk schoolsysteem niet gebruikt. Testen aan de hand van een westerse maatstaaf is niet eerlijk, omdat we daarbij vaardigheden aan de kant zetten die in de westerse cultuur niet als belangrijk worden geacht. Daarbij, voor veel ondervraagden waren problemen die ze voorgelegd kregen in de IQ test volledig nieuw. Een dergelijk punt betoogt Sanne Blauw ook in haar boek Het bestverkochte boek ooit [3]. Maar goed, die verklaring – namelijk dat de IQ test ontworpen is voor het westen en daardoor niet zomaar overal toepasbaar is als maatstaaf voor algemene intelligentie – ontbreekt volledig in het verhaal van FvD, want het is lastig te matchen met hun partijprogramma en persoonlijke overtuigingen. Voor iedereen met een fatsoenlijke kritische houding, echter, is die verklaring onvermijdelijk om mee te nemen in de duiding van het onderzoek van Richard Lynn en Tatu Vanhanen.

De tweet van Wybren van Haga waarin hij linkt naar het interview met Theo Schetters.

Nog even terug naar dat filmpje van blckbx TV, want dat is de pseudowetenschap die vandaag doorschijnt bij het FvD. Het filmpje is een 36-minuten durend interview met immunoloog Theo Schetters [4]. Ik link niet naar het filmpje omdat je deze blogpost niet zal lezen als je het eens bent met de video en andersom het filmpje wel kan vinden als je echt benieuwd bent. Bottom line is dat ik geen platform wil vormen voor nepnieuws, dus enkel de debunking link. Ik noem één voorbeeld:
Schetters beweert in het interview dat de enige reden voor vaccinatie is omdat we in een lockdown verkeren. Het is volgens hem zo dat de regering lockdown-maatregelen zou nemen om een vaccin door te drukken. De meeste mensen zouden volgens hem al immuun zijn, terwijl uit het meest recente bloedplasma onderzoek van Sanquin blijkt dat maar 6,2% van Nederlanders antistoffen heeft tegen Covid-19. Dit is een onderzoek naar actieve antistoffen, die ongeveer 6 maanden lang in je bloed verkeren. Gezien de laatste cijfers uit oktober zijn, zullen mensen die besmet zijn geweest tijdens de eerste golf geen actieve antistoffen hebben, maar wel geheugen T-cellen. We weten gelukkig dat het aantal mensen bij wie antistoffen aangetroffen waren in mei 6% was, dus als we uit gaan van een simpele optelsom zou ongeveer 12,2% immuniteit hebben (ofwel door antistoffen, ofwel door geheugen T-cellen). We weten inmiddels echter ook dat herbesmetting mogelijk is, dus deze 12,2% is een bovengrens van het percentage mensen die inmiddels immuun zijn voor Covid-19.

Wybren en Thierry zullen je vertellen dat een retweet of like niet instemming met elk punt betekent om zo je vraag te ontwijken, zoals bij Op1, maar de overtuigingen over corona van FvD lijken veel weg te hebben van de dergelijke uitingen als worden gedaan in het interview op blckbx TV. Al is het zo dat ze het niet volledig eens zijn met het interview, zouden beide mannen de verantwoordelijkheid moeten nemen om dergelijk nepnieuws niet te delen, want het is gevaarlijk voor de volksgezondheid.
Destijds kreeg ik zelf whiplash nadat Thierry eerst tweette dat er geen oversterfte was a.d.h.v. de cijfers van het CBS, waaruit juist bleek dat er oversterfte was, namelijk 13.000 doden. Toen dat ook doordrong tot Wybren tweette hij dat als er oversterfte was, het wel had gelegen aan het beleid van de regering en niet aan corona. Dat beleid waar hij op doelt gaat over de bezuinigingen op de zorg, iets wat het FvD ook mee zou moeten nemen in hun kortetermijnoplossing om coronabesmettingen te voorkomen.

Wat blijft er over van de onderbouwing van de kritiek van het Forum voor Democratie op de coronavirus respons?
Mijn duiding is dat de bron van FvD’s ongenoegen mbt de coronavirus respons is dat het FvD de risico’s verkeerd inschat. Het Forum voor Democratie pleit structureel voor de bescherming van mensen in risicogroepen en het vrij laten leven van mensen die niet tot een risicogroep behoren. Na verscheidene keren gevraagd te zijn wat de concrete oplossing vanuit het FvD moet zijn voor de coronacrisis, wordt dit beeld ook beaamd: bescherm ouderen, laat de bevolking vrij. Er is niets, maar dan ook echt niets, dat suggereert dat een dergelijke ‘oplossing’ leidt tot minder slachtoffers en minder economische schade en belangrijk immers is de algehele druk op de zorg. Wybren noemde gisteren in Op1 zelfs nog dat mensen die ziek zijn, in quarantaine moeten. Niet alleen moet het quarantaine advies dan beter nageleefd worden, het laat de rol van asymptomatische personen ook volledig achterwege, terwijl die wel degelijk een substantiële rol spelen in de verspreiding van het virus.
Het is zo dat mensen die niet tot een risicogroep behoren een lagere kans hebben om flink ziek te worden van Covid-19 (per definitie), maar als het aantal besmettingen stijgt in die groep zal ook het absolute aantal mensen in die groep die flink ziek worden van Covid-19 stijgen. Neem de volgende hypothetische percentages om flink ziek te worden: de risicogroep heeft na besmetting 10% kans om op de IC te belanden terwijl de mensen die niet tot de risicogroep behoren 1% kans heeft om op de IC te belanden. Als de mensen die niet tot de risicogroep behoren vrij rond kunnen lopen en dus een hogere kans hebben op besmetting hebben, zullen er meer van hen op de IC komen te liggen als de populatie minstens tien keer groter is dan de populatie die wél tot de risicogroep behoort. Hoe kunnen we mensen die behoren tot risicogroep beschermen als de IC vol ligt met mensen van wie we dachten dat ze kerngezond waren?
De werkelijke percentages zullen anders zijn, maar het punt hier is dat ik deze analyse nooit heb gezien van de kant van FvD terwijl dit cruciaal is in wat zij zien als een betere coronavirus respons. Ook hebben ze recent gereageerd op mensen die denken dat het FvD wil dat alles weer open gaat. Ze zeggen dat dat niet waar is, maar een duidelijke uitleg van hoe de coronavirus respons er uit zou zien als FvD zou regeren, blijft uit. Dit schetst tevens een parallel met andere partijen die overheidskritisch zijn: er wordt vaak wel kritiek geleverd maar alternatieven blijven uit.

Bronnen

[1] ‘IQ-verschillen tussen volkeren zijn wetenschappelijk bewezen’ EenVandaag

[2] IQ and the Wealth of Nations, door Richard Lynn en Tatu Vanhanen, 2002

[3] Het bestverkochte boek ooit (met deze titel), Sanne Blauw, de Correspondent Uitgevers, Oktober 2018.

[4] Klopt dat wel: Professor Schetters zaait ongefundeerde twijfel over coronavaccin

[5] Sanquin: Stijging antistoffen tegen Covid-19 onder donors

How I made friends through Among Us during quarantine

Among Us was released back in 2018 and until recently had not known much popularity at all. The developers even opted to create an Among Us 2, which would solve many of the problems that its predecessor had. However, a Twitch streamer by the name of Sodapoppin would play it in late July, having thousands upon thousands of viewers. He would not be the first (SR_Kaif, AdmiralBulldog and singsing, all streamers with a combined 1.5M+ followers had all streamed the game on a regular basis before then), but his playing the game would skyrocket its popularity and Twitch viewership [1]. Today, members of the US Congress have even used it as a tool to encourage people to vote for the US presidential election, with Alexandra Ocasio-Cortez playing it with the most popular streamers on Twitch and YouTube.

The goal of the game is quite simple: Among a group of at most ten people on a spaceship, vote out the Impostor(s) before they kill everyone else. This is very similar to already well-known games such as Werewolves, Mafia and Town of Salem, where both Werewolves and Mafia would be played in person. Town of Salem brought the popular game type into a video game in 2014 and Among Us would, in my opinion, improve on it.
Among Us omits other roles that its likeliness included such as the Doctor and Medium which could prevent people from dying or converse with the dead respectively. Instead, it adds tasks that crewmembers must complete. This adds a new win condition to the game, namely to complete all tasks before the Impostor is able to kill everyone. Moreover, it adds a dimension to the game as it matters who is doing which task and where everyone is in the spaceship at every point in time.

One of my close friends introduced our friend group to Among Us about a month ago and we would play with the six of us for the first couple of weeks. However, we quite quickly came to the conclusion that playing with ten people would be more fun than playing with six as not only does ‘the more, the merrier’ hold in Among Us, we could also play with more than one impostor. The way we would invite more people to play with us is by asking individual people whether they had friends who also played. Even people who had never heard of the game would download it for free on their smartphone. This caused an in-flow of new people, causing us to meet and actually make new friends during quarantine.

As a terrible impostor, I have only seen this screen four or five times in my 25+ hours of play.

I personally think that I would have played Among Us if it had become popular on Twitch regardless of being in quarantine. However, I do not think we would have invited as many people as we did because it would not be as important to us to socialize. Because of quarantine, however, we inevitably became more alone and thus needed to socialize more and required reasons to socialize with people. Obviously, I cannot know this for sure but this does suggest that Among Us’ popularity is in part thanks to Covid-19.

The success that Among Us now has, had caused me to ask myself whether there is value in designing our entertainment (systems) to be robust to or even benefit from crises. This would be a type of design-for-unexpectancies. Though I now believe that it is not beneficial to implement that as a rule, I do think it is interesting that there are parties who can possibly benefit from crises. Moreover, consumers may demand similar products in case another pandemic occurs, though again those products should not be designed solely with a possible crisis in mind but rather be robust to said crisis (i.e. robust-by-design rather than design-for-unexpactancies).

I suppose the takeaway of this post is then to play Among Us (it’s free on phones!) with friends and strangers alike and appreciate its ability to benefit from what is in my opinion the strangest times of our lives. As a final note, I do hope that people find more ways to stay in contact with their loved ones through online platforms. Keep distancing socially!

Sources

[1] How Among Us became so popular

Waarom ik me wél meld bij de Coronamelder

Laat ik direct beginnen met het noemen van mijn kwalificaties. Ik ben geen dansleraar, geen model en ook geen opiniepeiler. Ik ben ook geen expert op het gebied van privacy en beveiliging. Daarentegen heb ik een bachelor in Computer Science en studeer ik, fingers crossed, komend jaar af voor een master in Data Science. Binnen mijn master heb ik een aantal vakken gevolgd die vallen onder Security. Die vakken hoeven geen coherent geheel te vormen, wat in mijn geval wil zeggen dat ik ze vooral volg vanwege interesse. Zo, disclaimer uit de weg.

Ik behandel zowel de privacy en veiligheid van de Coronamelder in deze post. Ik lever ook kritiek op de berichtgeving over de Coronamelder, omdat ik denk dat het kabinet te weinig stappen zet om mensen te informeren over de app. Zo kwam ik er bijvoorbeeld achter dat het onderstaande informatiefilmpje al in juli was uitgebracht door het YouTube-kanaal van de Rijksoverheid en het daar slechts 9,500 keer bekeken is.

Bron: YouTube, Rijksoverheid

Privacy en veiligheid

De opslag en uitwisseling van locatiegegevens en persoonsgegevens lijkt de leidende draad te zijn in de discussie over privacy en veiligheid omtrent een corona-app. Tijdens de appathon (48-uurs marathon voor app-ontwikkelaars waarbij meerdere partijen hun versie van een corona-app toonden) werden al meerdere oplossingen getoond die geen gebruik maakten van locatiegegevens of persoonsgegevens. Kortom, de discussie over een corona-app berust op een misvatting over de gegevensverzameling die plaatsvindt of plaats dient te vinden in een corona-app.

werking van de app

Om te begrijpen hoe het komt dat locatiegegevens en persoonsgegevens niet nodig zijn, dienen we eerst te begrijpen hoe de app werkt. De werking berust op Decentralized Privacy-Preserving Proximity Tracing (DP-3T), wat inhoudt dat er bijgehouden wordt of besmette mensen langdurig in de buurt zijn geweest van niet-besmette mensen zonder dat daarvoor een centrale database geraadpleegd hoeft te worden. Hieronder een illustrerende comic hoe dit principe in de praktijk toegepast wordt.

Bron: P2P Foundation, https://blog.p2pfoundation.net/how-contact-tracing-apps-can-foil-both-covid-19-and-big-brother/2020/04/28

Kortom, nog even in het Nederlands:
1. De Coronamelder stuurt eens in de x minuten willekeurige tekens.
2. Via Bluetooth worden deze tekens opgevangen door nabije mobiele telefoons die de Coronamelder ook hebben.
3. De Coronamelder slaat de verzameling willekeurige tekens 14 dagen lang op.
4. Indien een persoon besmet raakt met COVID-19 en daarvoor getest wordt, wordt er een vlag gezet op de willekeurige tekens die hun mobiel in de afgelopen 14 dagen verstuurd heeft. Die willekeurige tekens worden vervolgens wél in de database van de GGD gezet. Aangezien die tekens willekeurig zijn, is echter niet te achterhalen van wie ze afkomstig zijn. Ook hoeven die tekens maar 14 dagen opgeslagen te worden, aangezien de incubatietijd van COVID-19 14 dagen bedraagt.
5. Eens in de y minuten vergelijkt de Coronamelder de verzameling willekeurige tekens met de willekeurige tekens die opgeslagen staan in de database van de GGD. Als blijkt dat er langdurig contact is geweest met een besmet persoon, verzoekt de Coronamelder de gebruiker om in quarantaine te gaan.

Belangrijkste punt, wat mij betreft, is dat alle data maar 14 dagen opgeslagen wordt.

Informering

Bij recente persconferenties is weinig genoemd over de werking van de app en zijn er ook weinig onzekerheden opgehelderd. In de meest recente persconferentie, namelijk die van 6 augustus, werd genoemd dat de Coronamelder op dat moment in de testfase zat en vanaf 1 september nationaal gebruikt kan worden. Vanaf 17 augustus zou de Coronamelder gebruikt kunnen worden in Overijssel en Drenthe, ook als deel van de testfase.

Eenmaal in de app is de uitleg goed en uitgebreid. De werking wordt uitgelegd van een aantal voorbeelden. Zelfs de privacyverklaring behandeld lastige cryptografische termen in begrijpbare taal. Het probleem zit hem dan ook niet in de app.

Het probleem zit hem in het onvermogen om uit te leggen hoe de app werkt, alvorens mensen de app downloaden. Sterker nog, een goede uitleg van de app en een goede behandeling van de bezorgdheden omtrent privacy en veiligheid zijn vele malen belangrijker om mensen zo ver te krijgen de app te gebruiken.

Ik heb meerdere keren horen zeggen dat het gebruik van de Coronamelder op vrijwillige basis is, op momenten dat mensen hun bezorgdheden over de Coronamelder uitten. Alsof mogelijke schending van privacy of lekken van gegevens aanvaardbaar is als het gebeurt bij mensen die vrijwillig hun gegevens hebben gedeeld. Ik hoop dat ik heb gedemonstreerd dat het makkelijk is enige bezorgdheden over privacyschending of een mogelijke datalek te weerleggen.

Inherently bankrupt industries

In talks about animal agriculture from a vegan perspective, the argument often comes up that animal agriculture is an inherently bankrupt industry. The market surrounding animal products is fuelled by taxpayer money through the common agricultural policy (CAP). What they often fail to acknowledge, however, is that an industry being funded partially by taxpayer money is not inherently bad or bankrupt as such. Accordingly, I present the argument as to why industries fuelled by taxpayers money are not inherently bad and then produce an adaptation of the argument as to why, in the case of animal agriculture, this does in fact matter.

Commercial aviation

One example of an industry fuelled by taxpayer money is commercial aviation. Historically, taxes paid for aviation tickets have been incredibly low. Lower, in fact, than taxes paid in other forms of public transportation [1]. Moreover, there are no taxes on aviation fuel [2]. These differences, among others, make it possible for commercial aviation to be affordable to the general public. This was important during the rise of air travel in the 1950s as ticket prices were incredibly high back then. Moreover, such policies of lowering prices through state funding generally serves people well as it allows people of all social classes to participate in or buy a certain good or service.

This is an important example to raise as nowadays, similar arguments could be made as to how commercial aviation is also inherently bankrupt. There is a difference, however, namely in the distinction that can be made that air travel forms a necessity. If one would travel from the Netherlands to, say, New York, they would not do so by boat. Unless, of course, they were as devoted to their cause as Greta Thunberg. This simultaneously raises how air travel differs from animal agriculture: In the fact that we do not need the latter.

Refined argument

The argument that animal agriculture is an inherently bankrupt industry can be appended with the aforementioned claim. In general terms, an inherently bankrupt industry should not exist (or be artificially maintained) if there is an alternative (existing or upcoming) that forms an improvement on said industry. Accordingly, we only need to show that there is an improvement on animal agriculture. In this case, that would be plant-based farming.

Animal agriculture is the leading cause of climate change [3], signifying the need for a more sustainable alternative in terms of resource usage. Moreover, plant-based agriculture is opted to be the most sustainable alternative we have today, as is also shown in [3]. The American Dietetic Association, one of the most independent collaborations of dieticians and nutritionists, claim that a plant-based diet can be healthy for any stage of life [4]. This produces sufficient evidence for the part of the argument relating to health, as their position is supported by several meta analyses. Whether a transition to plant-based farming in terms of land use can be deduced from the fact that a majority of crops is currently being used in animal agriculture to feed said animals. If those crops were used for human consumption, less crops would be used in total. Whether those crops would produce a sufficiently diverse dietary makeup is not in the scope of this post, though let’s grant that for the sake of argument. Ergo, there is an alternative to animal agriculture that is more sustainable and healthy.

I feel this appendage of the argument forms a clearer whole as to why bankrupt industries (be it monetary or otherwise) may be bad. Consequently, it produces an argument that will likely convince more people of the subject matter. In the context of aviation, we may approach a setting in the future in which this is also the case, for instance when cross-continental travel has a good alternative (perhaps Elon Musk’s underground tunnel?). However, as is a transition to a plant-based food system, such a change would be an enormous endeavour.

Sources

  1. A study on aviation ticket taxes
  2. The Hidden Cost of Air Travel
  3. Animal Agriculture is the Leading Cause of Climate Change – A White Paper
  4. American Dietetic Association on Vegetarian Diets

The case for anti-natalism

Anti-natalism, or antinatalism, is the philosophical position that assigns a negative value to birth. In other words, it is the position that procreation is morally bad. Some append this by saying no one consents to being born, but this is not (necessarily) included in the philosophical position.

Afbeeldingsresultaat voor antinatalism
Anti-natalism is the position that procreation is bad

I was aware of people being anti-natalist given the context of climate change, but had never heard the philosophical argument. Nevertheless, I will still produce an alternative argument, not just the philosophical one.

Benetar’s asymmetry

David Benatar has formalised an argument supporting the anti-natalist position in his book Better Never to Have Been. His argument relies on four premises:

  1. The presence of pain is bad;
  2. The presence of pleasure is good;
  3. The absence of pain is good even if that good is not enjoyed by anyone (i.e. what does not exist cannot suffer);
  4. The absence of pleasure is not bad unless there is somebody whom is being deprived of that pleasure (i.e. what does not exist cannot be deprived of pleasure)

There’s some terms that pertain to meta-ethics and for sake of complexity, I do not discuss them further. Moreover, the premises have the underlying axiom that maximizing pleasure is good.

From these premises, one can arrive at the conclusion that procreation is bad. This being the case as the absence of pleasure is not bad when there is no one being deprived of it and the absence of pain being good even if it is not enjoyed by anyone. It is important to notice how this pertains only to non-existing beings, as existing beings may be deprived of pleasure if they cease to exist.

I intentionally use the word ‘beings’ in the previous paragraph, as Benetar makes the argument that all life suffers more than they do enjoy pleasure, making the argument extend to non-human animals as well.

weaker argumentation

The argument that I hear made often from the point of view of climate change and its repercussions, is that having children is the worst thing you can do to combat climate change. Arithmetically, this is probably true. However, would we then not also arrive at the conclusion that continuing to live and pollute as a consequence is the second worst thing you can do?

This argument is different from anti-natalism in the sense that it does not focus on morality per se. Of course, climate change does pertain to morality in the sense that its effects are destructive so contributing to it is morally bad. However, I find the argument less convincing than David Benetar’s.

My consideration

To accept Benetar’s asymmetry, it is also important to accept that pain weighs more heavily than pleasure. Benetar often uses the example of people not wanting to trade five minutes of complete euphoria for five minutes of the most excruciating pain. Ask yourself: would you? If not, it would be the case that a potential being would need to endure more pleasure than pain for them having been created to be perceived as morally good.

Now, I do accept the asymmetry, and I also accept that pain is worse than pleasure is good. However, I feel there is an arithmetic way, or a probabilistic way, of viewing whether bringing a potential being into life is moral.

This probability of leading a pleasurable life would depend on many factors such as socio-economic status, whether the potential child would have loving parents, the opportunity for education and genetic ailments. I trust that anyone would be able to name ten more factors that weigh into this probability. In other words, approaching the problem probabilistically is enormously complex. Is it then even useful to consider it in such a fashion? Probably not.

Accordingly, I have come to the conclusion that it is safe to assume that any potential being would endure more pain than pleasure, as a shorthand. This is because I think it is nigh impossible to consider all factors or compute a statistically significant confidence interval which lies completely above the desired threshold of pleasure versus pain. Moreover, to determine such a threshold (or ratio), one would have to assign a value to pleasure and pain such that the two can be compared, but this also seems close to impossible as all pleasures and pains weigh differently.

Moreover, I also feel that someone who would want to produce an argument for natalism needs to produce a reasoning as to why the continued existence of mankind (or that of any animal) is important. It could be that we treat life as having value by means of an axiom, though I do not think that from that axiom follows that continuing the existence of mankind must therefore also have value.

Motivation for writing: Cosmic Skeptic

Cosmic Skeptic and Humane Hancock on the topic of anti-natalism.

Cosmic Skeptic and Humane Hancock recently had a talk about anti-natalism which prompted me to think about the topic repeatedly for a period of two weeks. I highly recommend to give it a listen, though, as Cosmic Skeptic’s stance on it is quite nuanced. He was willing to entertain anti-natalism but rejects the asymmetry.

Those are my thoughts on anti-natalism.
What do you think?

Limited bandwidth activism

This morning I was watching a video of Humane Hancock. Humane Hancock has this gimmick where he goes to protests of different issues. At these protests he would then lead people to think about veganism in relation to the issue they are protesting for or against. This particular video had him going to a feminist protest.

Humane Hancock discusses sexism, racism and speciesism at a feminist protest.

The quote from the woman at 09:50 in the video stuck with me, as it reinforced an idea that I have had for a while and sometimes feel quite guilty or ashamed about. She was asked whether she thought there was a contradiction in campaigning for women’s rights while paying for animal exploitation. She then continued that it’s up to [anyone] in which issue they want to put passion and energy. She continued to say: “we all have limited bandwidth, we’ve all got to put our energy into the causes that we feel most passionately about and often the causes that affect us most directly.”

On a sidenote, looking back at it now, I realise that she pivots away from the question that is actually being asked. She was not asked whether she thought there was a contradiction in campaigning for women’s rights while not campaigning for animal rights. Not contributing to animal exploitation, however, does not require the same level of energy as campaigning for animal rights would. Let’s put that aside, however.

The reason this quote stuck with me was because I, myself, do not campaign for other issues than animal rights and global warming. I agree with many social justice movements regarding racism and sexism, but do not necessarily fight with them. I try to fight injustices in my personal environment, but only when it is convenient. I feel that is particularly the case as I am not being directly affected personally. Not only do I think that this is a kind of hypocrisy that cis-gender white men face, I also feel guilty because it makes me feel like I am not doing enough.

Looking closer, the reasoning that I do not partake in fighting for those social issues as much as I feel I should, is because they do not affect me personally, does not really make sense, though. Either I would then have to accept that fighting for animal rights does affect me or I would have to adopt a different reasoning as to why I do not always fight for other social issues.

Let’s go with the former.

Veganism, in my mind, concerns all beings. Like Humane Hancock also suggests in the video, it is an extension of the idea that racism and sexism are bad. Racism and sexism concerns humans while speciesism also includes discrimination against animals. Accordingly, I would perceive fighting against speciesism to be an extension of fighting against racism and sexism, as they exist in a kind of superlative degree. If one does not agree that discriminating another human based on arbitrary traits is immoral, why would they ever agree that discriminating another species would be immoral?

In other words, I see veganism as all-encapsulating. Veganism is feminism is social justice. Does being a vegan activist therefore exempt me from doing other forms of activism?
No, absolutely not.
The type of approach still matters in activism as people witnessing the protest immediately know what it’s about and could then conclude how they should change their personal behavior. This is why it’s still important to partake in different forms of activism.
I suppose I’ll have to write about framing in activism some other day.

The role of Zondag met Lubach in informing the consumer

Last Sunday evening while browsing Netflix, searching for a show worthy of being watched in a state of utter disinterest, I received a message that Zondag met Lubach had a topic on animal slaughter. Along with the message came a picture of a television screen showing pigs’ carcasses and the word ‘slacht’ (slaughter).
“I’ll rewatch it once it’s online,” I replied, my mood shifting from disinterest to feeling curious and enthusiastic, though somewhat skeptical.
I could barely wait for twenty-two minutes, which was the exact time it took for the episode to be published online.

Arjen Lubach on the topic of slaughter, 24 November 2019, Season 10

During the episode, Arjen Lubach talked to approximately 1.2 million viewers about how 1.7 million animals are slaughtered every day in the Netherlands. He detailed how pigs are rendered unconscious after being led into a room with carbon-dioxide gas, making a joke about how doing so would spontaneously lead one to speak German. Moreover, he displayed his disbelief that the industry and Dutch ministries deem such slaughter ‘humane’. Notably, he did not only label cases in which animals are slaughtered in illegal circumstances (e.g. slaughter of a pregnant cow or an improperly stunned pig) as such. Rather, he labeled all slaughter as inhumane.

Animal farming

Some may recall that back in September 2017, Lubach already made an episode on animal farming in the Netherlands. After this episode, Lubach went vegetarian himself, due to the miserable circumstances in which animals were being held. Two years before that episode, in November 2015, Lubach had an item explaining why he was eating less meat due to climate change.

Arjen Lubach on animal farming, 17 September 2017, Season 7

Not only do we follow Lubach’s journey from eating less meat, to becoming vegetarian to now showing wrongdoing in the dairy sector. We also see a general trend of Lubach using his platform to inform the viewer on different topics. Previously, he has informed his viewers on topics such as the clothing industry. In a capitalist system in which it does not serve industries to be transparent in regard to their supply chain, Arjen’s role in informing the greater public is paramount. That is, if one values that consumers can make thoughtful and ethical decisions.

informing consumers is a necessity

In the episode shown on the 24th of November, Arjen gives the example of slaughtering a pregnant cow and throwing their unborn calf in the trash. He refers back to this example multiple times for comedic effect, which ultimately serves to show the insanity of the reality – even, perhaps unintentionally, giving the episode a vegan message. He does not, however, tell the viewer what to do with the given information.

Now, why is Lubach mentioning such an example a necessity?

On November 1st 2018, Esther Ouwehand submitted a motion in the House of Representatives to increase transparance in the lives of animals in the meat, egg and dairy industries [1]. This motion was turned down. Carola Schouten, the minister of agriculture, said that ‘it is the responsibility of the consumer to inform themselves on the origin of the food products they buy’. In other words, the consumer should inform themselves on an industry that will not be transparent about what is going on behind closed doors. An impossible task, indeed. Consequently, only consumers that actively seek out information and video footage about the industry (that is often difficult to acquire), are being informed adequately. The average consumer will not seek out such information. Thus, Lubach performs a very necessary role in ensuring that consumers know about unethical sides of industries.

Sources

1. Motie Ouwehand, 35000 XIV, nr. 49

“Only animal lovers can become vegan”

A piglet and a puppy

I would have never defined myself as an ‘animal lover’ before going vegan. Sometimes, I tell this to other vegans and end up feeling awkward because I am always met by a confused gaze. “Yes, it’s true,” I then tell them, “you don’t have to be an animal lover to become vegan.”
In 9 out of 10 cases, they still look at me puzzled, unable to think of anything to say. This lapse in understanding became the motivation in the creation of this post.

The reason I became vegan was that I acknowledged the immorality of eating animal products.
After being told and convinced that it was unnecessary to consume animal products (and being shown how suffering is also part of the dairy and egg industry), I was confronted with the question of whether killing unnecessarily was immoral. Obviously, I could not answer anything but ‘no’, had I not wanted to jump through trillions of hoops to be morally consistent. Accordingly, I became vegan.
Point being, this thought process can be followed by anyone, even if they do not consider themselves animal lovers. The only essential part is that people think killing unnecessarily is immoral and that they argue in good faith (i.e. are being honest and give sufficient credits to the facts).
I feel that this notion, that anyone can become vegan regardless of their stance toward animals as long as they want to consider themselves moral, is very important. It allows people to realize that loving animals is not essential, and that going vegan is not something solely for ‘crazy animal lovers’. Instead, they will realize going vegan is good in its essence and that anyone can do it.

To return to my point of view, what happened is I became an animal lover as a vegan. Being vegan allowed me to love animals, as I did no longer intentionally harm them and could therefore truly admire them. Before, I had not allowed myself to love them because my actions were not aligned with that sentiment. I would, thus, go as far as to say that only vegans can become true animal lovers.

Words without meaning

(Original) Dutch version below.

The tiles on the sidewalk were still wet from the rain that had fallen during the afternoon. The spring sun had blessed the morning and had brought loudly chirping sparrows with it. The afternoon, however, had been dark and full of drizzle. This was the typical weather that one would expect in the Netherlands.
            The wet tiles were characterizing for the atmosphere of the evening. It was a Sunday evening, specifically. Quiet and tranquil on the road – most people were sitting on their couches, in each other’s arms while petting their cat or dog, cherishing the last bit of rest before the work week would begin.
            The street lights did their best to illuminate the street, while a pair of comrades had given up on reaching that goal. One of them flickering, the other completely extinguished. The smell of the rain and freshly mown grass burrowed its way into my nose. It was the scent of Dutch spring.
            A feeling of emptiness overtook me as I looked at the windows of apartments where light was still on. I imagined how a group of friends would drink beers together, sharing stories about ultimately meaningless subjects. Moreover, I thought of loving couples, caught up in each other’s arms, swearing they would never let go.
            I was alone there, on the sidewalk. In the drizzle. In the disappointing amount of light that the street lights granted me.
            That’s when I heard Julia approach me, her high heels tapping on the sidewalk. She had mentioned wanting to put on her high heels as she would not be one and a half head shorter than me. Rather, she would only be one head shorter than me, she said. Touching, really.
            ‘Stephen!’ she called. The pitch of her tone ensured that the few people that were still out would look up.
            I turned to face her and smiled humbly.
            She hugged me tightly, her head resting against my chest. The scent of spring became enriched with lavender.
            ‘I’m Julia!’ she said awkwardly, ‘but you knew that already.’
            I closed my eyes as a sign of agreement. She seemed content. Then I gestured to the door of the café. She nodded.
            I walked in front of her in the direction of the café, opened the door and gestured for her to move along.
            ‘Oh, that’s very chivalrous,’ she said. So far, so good.
            She hung her coat on the coat rack, revealing her lime green dress. The dress matched well with her blonde hair, that rested on her shoulders due to her curls.
            The dress barely reached over her knees and revealed exactly the right amount of her body. Her small waist was visible, though the dress came out beyond that point. There was a hint of her hips visible in the shape of her dress. It was tight enough to see the profile of her chest, though it was not tight enough to know precisely how well they were shaped. Nevertheless, her appearance made my heart skip a beat.
            Impatiently she looked at me while I was frozen in place during my attempt to take of my coat. ‘Well, are you coming?’ she teased. She looked at me flirtingly while she brushed a lock of hair behind her ear. Briefly, she looked at the ground.
            She had noticed that I had been staring, there in the wardrobe, though her body language suggested that she did not mind.
            She leaned against the door that separated the café from the wardrobe with both of her arms, as if it were as heavy as lead. Now she held the door open for me. I walked through the doorway and nodded at her in satisfaction, as if we had successfully followed an unwritten contract and I was proud of that.
            Julia took place at the bar and tapped on the barstool beside her twice with her index finger, lifting up her head. She did this to indicate that I had to sit down, as if I were a puppy. I obeyed and sat down.
            I felt in my inner pocket and unveiled a notepad and a pen. I folded the notepad over to reveal the next empty page, put my pen up to it and looked at Julia expectantly.
            ‘Palm? It said that on your Tinder profile,’ she said.
            I nodded contently and subsequently put down my notepad and pen on the bar.
            The bartender looked expectantly at me now, though not as expectantly as I had looked at Julia. ‘What will it be?’ he asked. ‘A Chardonnay for me and a Palm for Sir talk-a-lot,’ said Julia with a smile similar to that of a comedian after having telling their umpteenth joke. ‘Coming right up!’ said the bartender. Subsequently, he skillfully picked up a wine glass and a beer glass from the glass rack, after which he disappeared from my field of view.
            ‘Sorry’, said Julia, chuckling, ‘but a bit of teasing is okay, right?’
            I looked at the bar and nodded approvingly. I picked up my pen and notepad from the bar and put them back in my inner pocket.
            ‘Oh? Is that how we’re going to do this?’ Julia asked challengingly.
            I closed my eyes and nodded heavily, like a child that gets their way. I made an impatient hand gesture to indicate that it was her turn to do the talking. She seemed to be thinking for a while.
            ‘Have you ever heard that people can fall in love after asking each other thirty-six questions?’ she asked.
            I looked at her reluctantly and pointed at my mouth, suggesting that she may have forgotten that I could not talk.
            ‘Yes, yes, I know, that’s not the point,’ she went on, ‘part of that exercise is that they end by staring at each other intently for four minutes. That is what puts a spell on people.’
            Puts a spell on people. Her way of phrasing things made sure that I was listening to her intently. Quite desirable, considering that the conversation would be lead by her the majority of the time.
            ‘So, let’s do that,’ she continued, ‘there’s nothing wrong with your eyes, is there?’
            She winked at me, indicating that she was teasing me again. Nevertheless, it was completely clear that she enjoyed challenging me. At this point, I wanted to take the bait.
            She turned to face me. Subsequently, she leaned forward, granting me a glimpse of her cleavage, grabbed my bar stool and turned me to face her as well. She looked me straight in the eye. That was the end of subtlety.
            She snatched her phone off of the bar and put an alarm for four minutes.
            ‘Four minutes!’ she said, somewhat louder than necessary.
            I hesitated and swallowed heavily. My heart was pounding in my chest. Suddenly, I became extremely nervous. My palms were wet with sweat that seemed to have materialized out of nowhere. I sighed.
            Oh well, the subtlety between us had come to an end anyway.
            I put my elbows on my knees, put my chin on my hands and looked Julia in the eye as intensely as possible. The scent of lavender burrowed its way into my nostrils again. She moved back and seemed to have come to a conclusion shortly after. She was impressed.
            ‘Confident young man, you are,’ she said.
            I should become an actor.
            The bartender put the Chardonnay in front of Julia and the Palm in front of me.
            She pressed the button on her phone to turn on the alarm, her long nails tapping on the screen of her phone. I noticed how perfectly painted they were, in a soft pink color.
            She moved her hand with the perfectly painted nails to my cheek, her touch was cold but soft. A momentary shudder moved from my check to my neck. Afterward, she pointed my face at hers and looked at me penetratingly. The four minutes had begun.
            Like stars her eyes shone in the dimly lit bar, as if they wanted to indicate that they were the only thing that mattered in my field of view. Lost in a universe of dull celestial bodies, I found her eyes and did not let go. She put a spell on me, she knew exactly what to do and enjoyed it intensely.
            A tiny smile materialized on her face, after which she bit her lower lip to subsequently try to look serious again. A weightless feeling manifested in my stomach, I felt a droplet of sweat on my forehead, swallowed heavily and smiled approvingly.
            Julia narrowed her eyes as if she intended to challenge me. She leaned forward, granted me yet another glimpse at her cleavage and lifted one of her eyebrows. A wave of dizziness hit me, blood rushing toward my crotch. She had me and she knew it.
            I put down my right hand on her thigh, near where she had put her hand. I sat up straight and breathed in deeply. Momentarily, oxygen had been my highest priority.
            She raised both of her eyebrows, looked as if she was impressed once more and seemed to have to resist the urge to check how much of the four minutes was left.
            My hand crawled up her thigh, trying to find her hand. Approvingly, she moved her hand toward mine. Now, I had her.
            The alarm must have sounded a fraction of a second after it was immediately followed by the sound of a nail tapping on glass. Before I noticed what had happened, Julia pressed her lips on mine, while putting a hand on my chest.
            I moved back, but had not wanted to escape from her soft lips. My hand moved toward her face, explored her perfect jawline and ended at her slightly cold ear. The feeling of dizziness rose, my blood had completely gathered now.
            Suddenly, her lips escaped mine, she sat upright on her stool while I was still frozen in her spell. She chuckled loudly.
            ‘I believe it worked,’ she said contently.
            I smiled at her, while simultaneously I had not wanted to admit that she was right.
            ‘If you talk so little, you do have something to compensate for. I suppose that will be quite all right, though,’ she ended suggestively.


De stoeptegels waren nog nat van de regen die vanmiddag was gevallen. De lentezon had de ochtend gezegend en had luid tjirpende musjes meegebracht. De middag, echter, was duister en vol miezer. Typisch het wisselvallige weer wat men verwacht in Nederland.
            De natte stoepzegels waren tekenend voor de sfeer van de avond. Het was een zondagavond. Stil en rustig op de weg – de meeste mensen zouden op de bank zitten, in elkaars armen of terwijl ze een kat streelden, het laatste beetje rust tot zich nemend voordat de week weer begon.
            De straatlantaarns deden hun best om de straat te verlichten, hoewel een tweetal kameraden het had begeven. De een knipperend, de ander volledig uit. De geur van regen en gemaaid gras drong mijn neus binnen. De geur van de Nederlandse lente.
            Een gevoel van leegte overviel mij terwijl ik keek naar de ramen van de flats waar het licht nog brandde. Ik stelde me voor hoe een groep vrienden samen biertjes dronken en verhalen deelden over uiteindelijk betekenisloze zaken. Ook dacht ik aan pas verliefde koppels, gesloten in elkaars armen, zwerend elkaar nooit meer los te laten.
            Ik stond alleen op de stoep. In de miezer. In het weinige licht dat de straatlantaarns mij schonken.
            Toen hoorde ik Julia aan komen lopen, haar hoge hakken tikkend op de stoep. Ze had gezegd de hakken aan te doen om te zorgen dat ze geen anderhalve kop kleiner zou zijn dan ik. In plaats daarvan was ze máár een kop kleiner, zei ze. Aandoenlijk, wel.
            ‘Stephen!’ riep ze. Haar stemgeluid zorgde ervoor dat de weinige mensen die nog wandelden, opkeken.
            Ik keerde naar haar toe en glimlachte bescheiden.
            Ze knuffelde me stevig, haar hoofd rustend tegen mijn borst. De lentegeur werd verrijkt met lavendel.
            ‘Ik ben Julia!’ zei ze ongemakkelijk, ‘maar dat wist je al.’
            Ik sloot mijn ogen als teken van instemming. Ze leek tevreden. Vervolgens gebaarde ik haar naar de deur van het café. Ze knikte.
            Ik liep voor haar uit richting het café, opende de deur en gebaarde dat zij voor mocht gaan.  
          ‘Wat galant, zeg,’ zei ze. So far, so good.
            Ze hing haar jas aan een van de kapstokken, haar limoengroene jurk onthullend. De jurk kleurde goed bij haar blonde haar, dat door de slag in haar haar rustte op haar schouders.
            De jurk kwam tot net over haar knieën en verhulde precies genoeg van haar lichaam. Haar smalle taille was zichtbaar, hoewel de jurk daar onder uitbolde. Er was een hint van haar heupen te zien in de vorming van de jurk. Hij was strak genoeg om ook de omtrek van haar borsten te zien, maar niet strak genoeg om te weten hoe welgevormd ze waren. Desalniettemin zorgde haar verschijning ervoor dat mijn hart sneller ging kloppen.
            Ongeduldig keek ze naar me terwijl ik bevroren was tijdens mijn poging om mijn jas uit te doen. ‘Nou, kom je nog?’ plaagde ze. Ze keek schunnig en veegde een verdwaalde pluk haar achter haar oor. Even keek ze naar de grond.
            Ze had door gehad dat ik staarde, toen in de garderobe, maar haar lichaamstaal suggereerde dat ze het niet erg vond.
            Ze leunde met beide armen tegen de deur die de garderobe scheidde van het café, alsof de deur loodzwaar was. Nu hield ze de deur voor mij open. Ik liep door de deuropening en knikte voldaan naar haar, alsof we een ongeschreven contract naar behoeven hadden nagekomen en ik daar trots op was.
            Julia ging aan de bar zitten en met opgeheven hoofd tikte ze twee keer met haar wijsvinger op de barkruk naast haar, om aan te geven dat ik daar moest gaan zitten, alsof ik een hondje was. Ik gehoorzaamde en nam naast haar plaats.
            Ik voelde in mijn binnenzak en haalde daar een kladblokje en een pen uit. Ik vouwde het kladblokje om tot de eerstvolgende lege pagina, zette mijn pen tegen het papier en keek verwachtingsvol naar Julia.
            ‘Palm? Dat stond op je Tinder profiel,’ zei ze.
            Ik knikte tevreden en legde mijn kladblok en pen vervolgens op de bar neer.
            De barman keek mij verwachtingsvol aan, maar niet zo verwachtingsvol als ik net naar Julia keek. ‘Wat mag het wezen?’ vroeg hij. ‘Een Chardonnay voor mij en een Palm voor de praatjesmaker,’ zei Julia met een glimlach gelijkend op die van een komiek die zijn zoveelste grap opdreunt. ‘Komt eraan!’ zei de barman. Vervolgens pakte hij kundig een wijnglas en een bierglas van het glazenrek, waarna hij uit mijn gezichtsveld verdween.
            ‘Sorry,’ zei Julia grinnikend, ‘maar plagen moet kunnen, toch?’
            Ik keek naar de bar en knikte instemmend. Ik pakte mijn pen en kladblok van de bar en stopte ze weer in mijn binnenzak.
            ‘Oh? Gaan we nu zo doen?’ vroeg Julia uitdagend.
            Ik sloot mijn ogen en knikte hevig, als een kind dat zijn gelijk krijgt. Ik maakte een ongeduldig handgebaar naar haar om aan te geven dat zij nu praatjesmaker mocht gaan spelen. Ze leek even na te denken.
            ‘Heb je ooit gehoord dat mensen na het stellen en beantwoorden van zesendertig specifieke vragen, verliefd kunnen worden op elkaar?’ vroeg ze.
            Ik keek haar peinzend aan en wees naar mijn mond, suggererend dat ze misschien was vergeten dat ik niet kon praten.
            ‘Ja, ja, weet ik, daar gaat het niet om,’ reageerde ze, ‘deel daarvan is dat ze eindigen door elkaar vier minuten aan te staren. Dat is waar de betovering echt begint.’
            De betovering. Haar manier van dingen verwoorden zorgde er voor dat ik aan haar lippen hing. Erg wenselijk, aangezien het gesprek het gros van de tijd door haar gevoerd zou moeten worden.
            ‘Dus, laten we dat doen,’ ging ze verder, ‘je mankeert niets aan je ogen, toch?’
            Ze knipoogde naar me, aangevend dat ze me plaagde. Desalniettemin was het overduidelijk dat ze het leuk vond me uit te dagen. Ik hapte maar al te graag toe.
            Ze draaide zichzelf van de bar af om naar mij te kijken. Vervolgens leunde ze voorover waardoor ik een glimp kreeg van haar decolleté, greep mijn barkruk en draaide ook mij om zodat ze me recht in mijn ogen aan kon kijken. Tot dusver de subtiliteit.
            Ze griste haar mobiel van de bar en stelde een alarm in.
            ‘Vier minuten!’ zei ze, iets harder dan nodig was.
            Ik aarzelde en slikte hevig. Mijn hart klopte in mijn keel. Ik was ineens enorm zenuwachtig. Mijn handen waren inmiddels klam van het zweet dat zich uit het niets geproduceerd leek te hebben. Ik zuchtte.
            Ach, de subtiliteit was er toch al van af.
            Ik steunde mijn ellebogen op mijn knieën, legde mijn kin in mijn handen en staarde Julia zo intens mogelijk aan. De geur van lavendel vulde mijn neusgaten weer. Ze deinsde terug en leek even daarna een conclusie te hebben getrokken: Ze was onder de indruk.
            ‘Zelfverzekerd mannetje, jij,’ zei ze.
            Ik zou acteur moeten worden.
            De barman zette de Chardonnay voor Julia neer, de Palm voor mij.
            Ze drukte op de knop om het alarm aan te zetten, haar lange nagels tikkend op het scherm van haar mobiel. Het viel me op hoe perfect ze gelakt waren, in een zachte rozige kleur.
            Ze bewoog haar hand met perfect gelakte nagels naar mijn wang, haar aanraking was koud maar zacht. Een korte rilling vorderde vanuit mijn wang over mijn nek. Vervolgens richtte ze mijn gezicht naar dat van haar en keek ze me indringend aan. De vier minuten waren begonnen.
            Als sterren schenen haar ogen in de licht verlichte bar, alsof ze aan wilden geven dat ze het enige waren in mijn gezichtsveld wat er toe deed. Verdwaald in een universum van doffe hemellichamen vond ik haar ogen en liet ik niet meer los. Ik was gegrepen in haar betovering, ze wist precies wat ze moest doen en genoot er zelf intens van.
            Een stiekeme lach verwezenlijkte zich op haar gezicht, waarna ze op haar onderlip beet om vervolgens haar gezicht weer in de plooi te trekken. Een gewichtloos gevoel ontstond in mijn onderbuik, ik voelde een zweetdruppel op mijn voorhoofd, slikte hevig en glimlachte instemmend.
            Julia kneep haar ogen iets samen, ze trok haar wenkbrauwen iets samen alsof ze me uitdaagde. Ze leunde iets verder voorover, schonk mij nog een glimp van haar decolleté en hief een van haar wenkbrauwen omhoog. Een korte duizeling omvatte me, bloed kolkend richting mijn kruis. Ze had me en ze wist het.
            Ik legde mijn rechterhand op haar bovenbeen, vlakbij waar zij zelf haar hand had geplaatst. Vervolgens ging ik rechterop zitten en ademde diep in. Zuurstof was even mijn hoogste prioriteit.
            Ze hief haar beide wenkbrauwen, keek alsof ze wederom onder de indruk was en leek de verleiding te moeten weerstaan om te kijken hoelang we elkaar nog aan moesten kijken.
            Mijn hand kroop omhoog over haar bovenbeen, richting haar hand. Instemmend schoof ze haar hand richting de mijne. Nu had ik haar.
            Het gepiep van het alarm klonk een fractie van een seconde voordat het gevolgd werd door het getik van een nagel op glas. Het gepiep was in de kiem gesmoord en voor ik door had wat er gebeurd was, duwde Julia haar lippen op de mijne, terwijl ze een hand op mijn borst legde.
            Ik deinsde even terug, maar wou alles behalve ontsnappen van haar zachte lippen. Mijn hand bewoog zich naar haar gezicht, verkende haar perfecte kaaklijn en eindige vervolgens bij haar ietwat koude oor. Het gevoel van duizeling nam toe, mijn bloed had zich nu verzameld.
            Plots ontsnapten haar lippen van de mijne, ze zat rechtop op haar kruk terwijl ik nog bevroren was in haar betovering. Ze grinnikte hardop.
            “Ik geloof dat het werkte,” zei ze tevreden.
            Ik glimlachte naar haar, terwijl ik tegelijkertijd nog niet toe wou geven dat ze gelijk had.
            “Als je zo weinig praat, heb je wel wat te compenseren. Maar dat komt wel goed geloof ik,” eindigde ze suggestief.

Criticising the Belgian Royal Academy of Health

The Belgian Ministry of Public Health released a statement made by the Royal Academy of Medicine related to plant-based diets. [1]. In short, the statement describes the health risks of adopting a plant-based diet by infants or adolescents. The statement was responded to in a letter by the Physicians committee for Responsible Medicine (PCRM) [2]. However, critics of the statement also responded in a more aggressive manner.

criticism by PCRM

The PCRM criticised the publication by referring to the evidence-based, peer-reviewed publication made by the Academy of Nutrition and Dietetics (AND) [3]. Their publication ultimately concluded that vegan diets are “appropriate, and they satisfy the nutrient needs and promote normal growth at all stages of the life cycle, including pregnancy and lactation, infancy, childhood, adolescence, older adulthood, and for athletes.”

The PCRM continue to refute all claims made by the Belgian Royal Academy of Medicine which include, but are not limited to claims about vitamin B12 and D: Letter to Belgian Academie

criticism by the public

Maggie de Bock, Belgian Minister of Public Health

Instead of only attacking the claims made in the publication by the Royal Academy of Health, the public has also publicly shamed the Belgian Minister of Public Health for her appearance.
Such notions completely undermine the factual evidence that one can present to disprove the claims brought forward by the Royal Academy of Health.
Moreover, body/fat shaming is ultimately nothing but harmful and reduces someone to being judged only in regard to their physical appearance. It is completely irrelevant to the contents of the publication of the Royal Academy of Health.

Whether or not Maggie de Bock is a fitting candidate for the position of Minister of Public Health is a discussion that has nothing to do with veganism and thus should not be brought forward in this context.

relevant criticism

When criticising a formal document such as the publication by the Royal Academy of Health, one should focus on its contents rather than the people who promote it or adorned it. Personally attacking people and shaming them may enforce ideas about opponents of such documents that we ultimately would want to disprove.


Sources: